In 2012 werden in het Rijksarchief Luik tussen enkele landbouwdossiers twee perfect bewaarde wolvenoren gevonden. De oren zijn bewijsstukken bij twee aanvragen tot uitbetaling van een premie voor het uitroeien van schadelijke diersoorten, die elders in het archief werden teruggevonden.
Het archief van het Ourthe-departement, bewaard in het Rijksarchief te Luik, is met zijn 350 strekkende meter een van de grootste archiefbestanden uit de Franse tijd (1795-1814). In de dossiers van de prefectuur van het Ourthe-departement werden in 2012 tussen enkele landbouwdossiers twee perfect bewaarde wolvenoren gevonden. De oren zijn bewijsstukken bij twee aanvragen tot uitbetaling van een premie voor het uitroeien van schadelijke diersoorten, die elders in het archief werden teruggevonden.
Wolven onder vuur...
Na de afschaffing van de jachtprivileges uit het ancien régime was het wildbestand in enkele jaren tijd drastisch uitgedund, maar dat gold niet voor de wolvenpopulatie. Bij gebrek aan voedsel begonnen de wolven steeds vaker (pluim)vee aan te vallen. Toen hele meuten wolven echte ravages begonnen aan te richten, organiseerde de overheid drijfjachten en keerde ze premies uit voor het doden van wolven.
Aanvankelijk verschilde het bedrag van deze premies sterk per departement. In 1807 legde Binnenlandse Zaken tarieven vast die van toepassing waren in het hele keizerrijk: 18 frank voor een drachtige wolvin, 15 frank voor een niet-drachtige wolvin, 12 frank voor een wolf en 3 frank voor een welp. Hoewel deze bedragen lager waren dan degene die voordien werden uitgekeerd, waren ze niet te versmaden in vergelijking met de ‘gewone’ inkomsten! Een arbeider verdiende per dag immers slechts 1 frank.
In zijn besluit hield de prefect van het Ourthe-departement zich het recht voor om bijkomende beloningen toe te kennen aan burgers die zich onderscheidden in de strijd tegen deze ‘gesel’ en die erin slaagden een groot aantal ‘schadelijke elementen’ te elimineren.
Tegelijk werden begeleidende maatregelen genomen. Een hoofdjachtopziener (Grand Veneur) werd benoemd, die op zijn beurt wolvenjachtmeesters aanstelde. Dezen waren verantwoordelijk voor een bosgebied (conservation forestière) onderverdeeld in kleinere entiteiten, die onder toezicht stonden van een luitenant-jachtmeester. De klopjachten op de wolven werden door de jachtmeesters georganiseerd. Het ambtsgebied van de 23e Conservation forestière strekte zich uit over de departementen Ourthe, Roer, Samber-en-Maas en Beneden-Maas. Het Ourthe-departement had drie onderverdelingen, die werden afgebakend door de loop van de Maas en de Ourthe.
Het resultaat van al deze maatregelen was indrukwekkend: in een tiental jaar werden in het keizerrijk meer dan 15.000 wolven afgemaakt.
Welke wolven?
Een van de teruggevonden oren behoorde, volgens het proces-verbaal van de burgemeester van Aywaille, tot een tweejarige wolf die op 29 december 1807 was neergeschoten in het gemeentebos Porallée door boswachter Jean Mathieu Fontaine.
Zoals voorgeschreven door een ministeriële omzendbrief van Binnenlandse Zaken van 25 september 1807 moest de kop van de wolf worden afgehakt en samen met het proces-verbaal overgemaakt aan de onderprefect. Deze maatregel diende uiteraard om te verhinderen dat de premie meermaals zou worden opgeëist. Aangezien de prefect destijds ook de functie vervulde van onderprefect van het arrondissement Luik, werd de wolvenkop van Aywaille naar Luik gestuurd. In de begeleidende briefwisseling wordt melding gemaakt van ‘noodzakelijke maatregelen’ om te vermijden dat iemand anders de kop nogmaals zou aanbieden om de premie te bekomen. Waarschijnlijk ligt hier de verklaring voor het afgesneden oor.
Het tweede oor is dat van een zevenjarige wolf die volgens het verslag van de burgemeester op 16 september 1807 werd afgemaakt op de hoofdweg van de gemeente Tavier (arrondissement Hoei) door buurtbewoner Lambert Hausman.
Volgens Jean-Marc Moriceau, professor geschiedenis aan de universiteit van Caen en coördinator van een groots onderzoeksproject over de relatie tussen mens en wolf in Europa, gaat het over twee uitzonderlijke exemplaren van de soort. Jean-Marc Moriceau is onder meer de auteur van twee boeken over dit onderwerp: Histoire du méchant loup. 3000 attaques sur l’homme en France XVe-XXe siècle (Parijs, Fayard, 2007) en L’homme contre le loup. Une guerre de deux mille ans (Parijs, Fayard, 2011).
Voor haar proefschrift over de aanwezigheid van de wolf in Wallonië in de 18de en 19de eeuw voerde Julie Duchêne van de Universiteit van Namen paleogenetische analyses uit op deze twee wolvenoren. Daarbij ontdekte ze:
- dat ze inderdaad tot de soort Canis lupus lupus behoren (het gaat dus effectief om wolven, en niet om grote honden);
- dat hun genetisch materiaal historisch aanwezig was in Centraal-Europa. Ze zijn daar niet noodzakelijk geboren; die genen kunnen afkomstig zijn van hun ouders of een verdere voorouder;
- dat één van de twee wolven verwant is aan het wolvenexemplaar dat bewaard wordt door de familie de Bonhomme, en dat in 1865 werd gedood in Meix-devant-Virton.
De wolvenoren waren van 7 april tot 2 september 2012 te zien in het Koninklijk museum van Mariemont, in het kader van een tentoonstelling over de wolf op het platteland en in onze verbeelding (“Ô Loup! De nos campagnes à nos imaginaires”).
Lees meer
- Ontdek de foto's van de wolvenoren via Facebook
- Nos ancêtres coupaient les oreilles des loups (RTBF-reportage, 27 maart 2019)
- Boze wolven in Zuid-West-Vlaanderen (Facebook, 2 april 2023)
- Roodkapje in Kortrijk? Wolven in Zuid-West-Vlaanderen (14de-18de eeuw): artikel van archivaris Hendrik Callewier over de aanwezigheid van wolven in de regio Kortrijk tussen de 14de en de 18de eeuw (in: De Leiegouw nr. 60, 2019, p. 165-189)
Update pagina: 24 juli 2025






