Rijksarchief in België

Ons collectief geheugen !

FR | NL | DE | EN
Menu

Vrouwenweek in het Rijksarchief (5): De “ongrijpbare” Catharina vande Put, een geestelijke dochter op het slappe koord van de orthodoxie

Texte petit  Texte normal  Texte grand
08/03/2019 - Evenementen - Divers - Rijksarchief te Gent

Geestelijke dochters (ook kwezels genoemd) waren een fenomeen dat vooral in de 17e en 18e eeuw opgang maakte. Het ging om particuliere vrouwen die de wens hadden zich intensief aan het geestelijk leven te wijden, maar zonder zich aan te sluiten bij een kloostergemeenschap. Het feit dat zij zich ergens tussen kerk en wereld in situeerden, maakte hen in de ogen van tijdgenoten ietwat verdacht. Zeker vanuit de Kerk zelf werden dergelijke vrouwen met argusogen gevolgd en werd gepoogd hen zoveel mogelijk onder controle te houden. Catharina van Put of vande Putte, ook “Catharina met de stigmata” genoemd, was zo’n geestelijke dochter. Enkele beeldrijke getuigenissen uit de periode 1697-1699 geven ons een idee van de ophef die ze veroorzaakte met haar bijzondere levenswandel.

Geestelijke dochters waren jonge vrouwen die niet in het klooster gingen, maar wilden samenwonen in een soort semireligieuze maar tegelijk ook wereldlijke context: afwijkend van de kerkelijke normen, regels en voorschriften kortom, en dus voorwerp van kritiek en zelfs repressie.

Een merkwaardig dossier in deze context is het geval van Catharina van Put of vande Putte. Vermoedelijk werd zij in 1668 of 1671 geboren in het Oost-Vlaamse Kruibeke. Over deze vrouw zijn weinig administratieve gegevens of personalia terug te vinden. In de volksmond stond ze bekend als “Catharina met de stigmata”.

In 1698 kwam ze in het vizier van de Gentse bisschop via getuigenissen van Maria de Bruijn en Maria Theresia Oso, geestelijke dochters uit Antwerpen die in de periode 1695-1696 een huis deelden met Catharina. Zij verklaarden dat Catharina hen had verteld dat ze blootsvoets over vuur kon lopen en ooit veertig man had bestreden samen met “het Alderheijlighste”. Daarbij hield het niet op: zo had ze ooit een kom “groen sop” gedronken, waarna ze – na te hebben gebiecht – een levende pad had uitgespuwd. Een vrouw die haar vroeg waarom ze bepaalde kruiden plukte, zou terstond zijn doodgevallen. Ook zou ze nooit brood hebben gegeten, en de dood van haar moeder, stiefvader en hun gezamenlijk kind hebben voorspeld. De wonden (stigmata) die ze had, hield ze open door er koolbladeren op te leggen en na de communie was zij steeds vrolijk en blij en voelde zij zich “vol van liefde”. De bisschoppelijke argwaan was hiermee duidelijk gewekt.

Meer getuigenissen werden het daaropvolgende jaar verzameld. Livine Cocquit, een andere geestelijke dochter die met Catharina in Gent had samengewoond, legde verklaringen af over de zonden die zij kon voorspellen en de stigmata die zij beweerde te hebben (zij droeg bovendien altijd handschoenen!). De hovenier van de zusters-annuntiaten, Jacobus Wymeersch, had ze aangemaand te biechten te gaan nadat ze zijn zonden had voorspeld en ook tegenover hem had ze zeer geheimzinnig gedaan over haar vermeende wonden. De Gentse koopman Carel de Waghenaer getuigde dan weer over het feit dat zij hem voorkwam als “eene goede ende particuliere dochter… de welke hem scheen particuliere gratien van Godt  te hebben, en besondere hijlige saken te doen”, wat volgens hem ook de reden was waarom hij enige tijd met haar had gecorrespondeerd en haar meermaals in zijn huis had laten verblijven. Het merkwaardigste feit dat hij signaleerde, was een wassen kruisbeeld dat zij bezat, dat olie en bloed zweette. Ook verklaarde hij dat zij meerdere dagen zonder eten en drank kon doorbrengen, meer zelfs, dat zij begon te bloeden als ze daarna weer at. Vooral op de materie van het kruisbeeld werd vervolgens doorgevraagd.

De getuigenissen volstonden om bij de bisschop de alarmbel te doen luiden: Philippus Erardus van der Noot gaf op 10 februari 1699 het bevel Catharina te laten opsluiten (“colloqueren”) bij de kapucinessen te Gent, een ingreep die ook door de Raad van Vlaanderen als wereldlijke juridische instantie werd onderschreven. De keuze voor de kapucinessen was weldoordacht: deze relatief jonge kloosterorde hanteerde het slot, stond bekend om haar strengheid en – interessanter nog –  ze stond onder direct toezicht van de bisschop zelf.

Catharina’s zus Marie, die in Antwerpen woonde, voelde de bui wellicht hangen en diende het ietwat opportunistische verzoekschrift in om al het zilverwerk van haar zus, dat zich nog in het huis van Livine Cocquit bevond, in beslag te mogen nemen. Bij dezelfde gelegenheid gaf de secretaris van de bisschop de opdracht aan de deurwaarder om uit het huis alle “boeken, lettragien ende meubelen” van Catharina in beslag te nemen. Het feit dat gewag werd gemaakt van boeken en geschriften is opmerkelijk: vaak wordt dit bij beslagleggingen niet zo expliciet vermeld, wat het subversief geachte karakter van deze vrouw onderlijnt. “Vrouwen die lezen zijn gevaarlijk” wil het cliché, geletterdheid kon immers aanleiding geven tot een kritische ingesteldheid en persoonlijk inzicht, wat kon resulteren in gedrag dat van de strikt omschreven kerkelijke normen afweek. In het ergste geval kreeg een dergelijke figuur ook een gevolg waarmee ze correspondeerde, wat te allen prijze moest worden vermeden om een eventuele verspreiding van afwijkende ideeën te beletten. In dit geval was er een concrete aanleiding: nog los van de verklaringen over de merkwaardigheden rond Catharina, had Carel de Waghenaer in zijn getuigenis immers te verstaan gegeven geïntrigeerd te zijn door deze vrouw en haar opmerkelijke crucifix, wat een risico van navolging inhield.

Ondanks het feit dat zowel de kerkelijke als de wereldlijke overheden haar op de hielen zaten in een poging haar opmerkelijke levenswandel aan het oog van beïnvloedbare leken te onttrekken, slaagde Catharina er in door de mazen van het net te glippen. Het dossier bevat nog enkele stukken met signalementen van Catharina, nu eens in het Kortrijkse, dan weer in Brugge en ten slotte opnieuw in Gent, maar zonder dat zij effectief kon worden gecolloqueerd.

De laatste getuigenis in het dossier is van pastoor van Haute van de Sint-Michielskerk in Gent, die verklaarde dat zij weleens in de stad kwam en er logeerde bij koopman Danens, waar ze in de achting stond van diens zoon en dochter, de één kapelaan van het begijnhof en de andere zelf “quesel”. Wellicht tot grote ergernis van de bisschop beweerde Catharina, aldus de pastoor, “dat het cruys dat in het bisdom bewaert is geweest haer wederom gebrocht te sijn door de handen der engelen, daer sy maer een cruys gelijck aen dit en heeft doen maeken”.

De afloop van het verhaal is helaas niet gekend. Het ontbreken van verdere informatie laat open of Catharina effectief werd gevat en opgesloten, of ongrijpbaar bleef voor haar vervolgers en zich voortaan misschien meer in de luwte ophield. Het laatste signalement uit 1705 doet niet meteen vermoeden dat zij de intentie had zich voortaan gedeisd te houden. Dat Catharina tot de verbeelding van haar tijdgenoten sprak, is zowat het enige dat vaststaat.

Deze tekst delen:
www.belspo.be www.belgium.be e-Procurement