Rijksarchief in België

Ons collectief geheugen !

FR | NL | DE | EN
Menu

Vrouwenweek in het Rijksarchief (3): De abdissen van de Roosenbergabdij als luis in de pels van de Gentse bisschoppen

Texte petit  Texte normal  Texte grand
06/03/2019 - Evenementen - Divers - Rijksarchief te Gent

De Gentse bisschop Antonius Triest (1577-1657) stond bekend als een spreekwoordelijke kampioen van de katholieke reformatie. Hij was vermaard om zijn vroomheid en zijn streven naar katholiek herstel, in de nasleep van de beeldenstormen en de reformatorische onrust van de 16e eeuw. Eén van de instellingen die in zijn vizier kwam, was de abdij van Roosenberg in Waasmunster, een gemeenschap van reguliere kanunnikessen. Vooral de omgang van de zusters met het slot of de clausuur was hem een doorn in het oog. Dat de abdissen waarmee Triest de confrontatie aanging geen volgzame schapen waren, blijkt uit de correspondentie en overgeleverde processtukken uit die tijd …

Antonius Triest was sinds 1620 bisschop van Gent. Niet alleen voor de “gewone” gelovigen, maar ook voor de geestelijken hechtte bisschop Triest grote waarde aan het in ere houden van de katholieke voorschriften en meer in het bijzonder de bepalingen van het Concilie van Trente (1545-1563).

Eén van de instellingen die in zijn vizier kwam, was de abdij van Roosenberg in Waasmunster. Deze gemeenschap van reguliere kanunnikessen van Sint-Victor werd in de periode 1623-1652 niet minder dan negen keer bezocht in het kader van zijn visitatiepolitiek. Vooral de omgang van de zusters met het slot of de clausuur was hem een doorn in het oog. Dat de abdissen waarmee Triest de confrontatie aanging geen volgzame schapen waren, blijkt uit de correspondentie en overgeleverde processtukken uit die tijd. De bisschop wou dat de zusters strikt de regels van het door “Trente” voorgeschreven slot voor vrouwenkloosters toepasten, en dus niet in contact kwamen met de buitenwereld. In feite waren zelfs de voorschriften van het Concilie niet zó streng als de bisschop ze wou doorvoeren: ze legden de clausuur enkel op aan die kloosters waar het slot reeds in voege was en strikter moest worden opgevolgd of hersteld. Dit was in Roosenberg niet het geval: de zusters hadden in hun circa vierhonderdjarig bestaan immers nooit het slot aangenomen, noch werd dit door hun regel (van Augustinus) of statuten (van Sint-Victor) voorgeschreven.

De plotselinge verplichting hiertoe zinde de opeenvolgende abdissen Anna de Samillan (1610-1634), Regina de Croeser (1634-1645) en in mindere mate ook Elisabeth Goossens (1645-1658) niet. Zij boden flink weerwerk tegen de inmenging van de bisschop in hun gebruiken. Het conflict begon eigenlijk al onder Triests voorgangers, de Gentse bisschoppen Carolus Maes (1610-1612), Franciscus vander Burch (1613-1616) en Jacobus Boonen (1617-1620) die in navolging van Trente zonder succes de clausuur probeerden op te leggen aan Roosenberg. Het ging in feite over een enigszins “afgeslankte” vorm van de slotregel: de regel zou enkel van toepassing zijn op de nieuw geprofeste zusters. Abdis de Samillan verzette zich hier met vuur tegen, aangezien op die manier een deel van de zusters wél en een deel niét het slot zou moeten accepteren, wat een onzinnige situatie was. Zo liet ze in 1619 de professie van vijf novicen plaatsvinden, zonder bisschoppelijke toestemming en zonder de gelofte in verband met de clausuur. Hiermee instemmen beschouwde ze immers als een inbreuk op de rechten en de integriteit van haar gemeenschap: “soo is dat ik verstaen haerlieder proffes niet en sal getardert worden ende sal gescieden op den voet van voorgaende want ic noot en sal consenteren oude conditien van besluyten ofte het slodt te beloven int heymelyc ofte int openbaer”. Als reactie rapporteerde bisschop Boonen aan de landdeken over de abdis, haar weigering en haar argumenten, waarbij hij opperde dat zijn voorganger vander Burch te zachtmoedig tewerk was gegaan en hij Anna de Samillan bovendien als “onbuigzaam” (“rigidior”) typeerde. De twistappel was gegooid.

 

Boonens opvolger Triest zette de strenge lijn verder en eiste dat novicen voortaan het slot zouden aanvaarden, wat de abdis bleef weigeren, omdat dit voor haar een verregaande aanfluiting betekende van de rechten van de abdij. De bisschop was echter vastbesloten: hij bracht de kwestie in 1624 voor de bisschoppensynode (voorgezeten door de intussen tot aartsbisschop aangestelde Jacobus Boonen!) en verkreeg zelfs een aanmaning van landvoogdes Isabella waarmee Roosenberg werd opgedragen de clausuur aan te nemen. Daarin wordt de abdis onomwonden verweten zich te verzetten “plus par passion qu’aucune raison vaillable”. De kwestie begon stilaan te escaleren: de aartsdiaken die naar Waasmunster werd gestuurd met de ordonnantie van de bisschop hierover, keerde van een kale reis terug: de zusters weigerden immers de ordonnantie te ontvangen, te aanhoren of ze zelfs maar te laten voorlezen. In een schrijven hierover was de bisschop niet mild: de religieuzen werd niet alleen “wederspannicheyt” en “ongehoorsaemheyt” verweten, maar ook “misachtinge” voor de waardigheid van de bisschop. Voor nog meer olie op het vuur zorgde de reactie van de zusters, die het “tsanderdachs … ons weder terugghe ghesonden hebt … met de meeste versmaedinghe die ghij hebt konnen imagineeren door eenen lantsman inde handen van onsen poortier, sonder brief, opscrifte, slot ofte decsel, niet sonder schandael van alle de gone die daer weten af te spreken”. Een niet mis te verstane return to sender vanwege de abdis dus, en dat mag vrij letterlijk worden genomen.

 

Een dergelijke “groote misdaet, quatwillicheyt ende misachtinghe” kon niet ongestraft blijven. Triest meende dat de “vaderlijke vermaningen” van zijn voorgangers tot niets hadden geleid, en schakelde een versnelling hoger. De abdij werd op 2 november 1624 onder interdict geplaatst. Deze zware sanctie hield concreet in dat de abdij werd uitgesloten van kerkelijke privileges als de sacramenten, de erediensten, het begraven in heilige aarde, enzovoort. Wat volgde was een jarenlange procedureslag, die zelfs tot in Rome leidde. De zusters werden door de bevoegde kerkelijke instanties neergezet als hoogmoedig en “onduldbaar ongehoorzaam”. De bisschop hanteerde bovendien de visitatieverslagen als wapen om de abdis te laten terechtwijzen door landvoogdes Isabella inzake het financiële beheer van de abdij. Het mocht allemaal niet baten, het verzet tegen de clausuur bleef intact. In 1634 overleed abdis Anna de Samillan zonder dat de kwestie was beslecht.

De verkiezing van de nieuwe abdis geschiedde in het bijzijn van de bisschop, die van de gelegenheid gebruik had gemaakt om nogmaals te polsen naar de houding van de zusters tegenover het aannemen van het slot. Noch de nieuw verkozen abdis, Regina de Croeser, noch haar medezusters leken hiertoe bereid. De bisschop ondernam nog een poging om de aanstelling van abdis Regina te verhinderen, maar op 15 juni 1634 werd ze door Filips IV officieel benoemd. In een bijna wanhopige poging het slot op te leggen, weigerde de bisschop vervolgens de abdis in te zegenen. Zeventien maanden na haar verkiezing droeg de Geheime Raad Triest op dit alsnog te doen.

In 1636 werd gepoogd een compromis te vinden dat voor alle partijen verteerbaar was. De bisschop zou de abdij van nieuwe statuten voorzien, die de zusters zouden aannemen. Een eerste voorzet mocht worden gegeven door de abdis, naar het model van de bestaande statuten van de abdij, waarop de bisschop zou verder werken. Opnieuw bleek de clausuur het probleem. De situatie escaleerde voor de zoveelste keer en leidde zelfs tot excommunicatie van de abdis op verzoek van de bisschop. De abdis had zo haar redenen: de beperkende voorschriften en het hele schandaal hadden de abdij als het ware in een “rekruteringscrisis” gebracht, waardoor geen nieuwe novicen meer waren geprofest sinds 1639. Het geschil bleef maar aanslepen, ook na het overlijden van abdis de Croeser in 1645. Onder de nieuwe abdis, Elisabeth Goossens (1645-1658), kwam het na decennia van woord en wederwoord tot een vergelijk: nieuw geprofeste zusters zouden de voorwaardelijke clausuur aannemen, namelijk de belofte dat ze bereid waren deze te ondergaan indien de bisschop dit nodig achtte. In de afhandeling van de kwestie zat nog een subtiel angeltje: de vraag van Triest om in Gent de plooien glad te strijken, werd door abdis Goossens beantwoord met het verzoek om dit in Waasmunster te doen, zodat alle zusters inspraak zouden krijgen. Zo geschiedde. In feite haalden drie generaties abdissen na jaren juridisch getouwtrek hun slag thuis: tot het einde van het ancien régime werd de clausuur de facto immers niet opgelegd. Het zou pas bij de heroprichting van de abdij in 1831 zijn, dat het slot ook daadwerkelijk werd ingevoerd.

Was het nodig om zich jarenlang zo “onbuigzaam” op te stellen? De kwestie over het slot in de abdij van Roosenberg was niet de enige in haar soort. In heel wat andere vrouwenkloosters wilden de bisschoppen strengere regels opleggen, eigen aan de tijdgeest van de zogenoemde contrareformatie. Dit druiste niet alleen in tegen de aloude gebruiken van deze gemeenschappen, maar het beperkte ook hun autonoom optreden en bedreigde hun voortbestaan: nieuwe novicen (en niet onbelangrijk: ook hun families) werden immers afgeschrikt door de strenge clausuur. De slotzaak in Roosenberg toont echter aan hoe vrouwelijke religieuzen in een mannenwereld door een consequent vasthouden aan de principes er toch in slagen hun stem te laten gelden. Die “mannenwereld” mag vrij letterlijk worden opgevat: alle juridische instanties die hier werden ingeschakeld, waren immers bevolkt door mannen. In contrast hiermee staat de positie van de abdis: de overste van een klooster als Roosenberg was immers wat wij vandaag een “manager” zouden noemen, iemand die naast de geestelijke leiding ook de praktische supervisie had over personeel en middelen die goed moesten beheerd worden, zoals dit ook verwacht werd van abten in mannenkloosters. Dat standvastigheid in het bewaken van de voorrechten en gebruiken in het geval van de abdissen als synoniem werd beschouwd voor koppig, onredelijk, ongehoorzaam en weerspannig gedrag van bijzonder taaie tantes, leidt daardoor de aandacht af van de minstens even grote vastberadenheid van de bisschop, wiens verbeten en rigide optreden niet in vraag wordt gesteld.

Deze tekst delen:
www.belspo.be www.belgium.be e-Procurement