Rijksarchief in België

Ons collectief geheugen !

FR | NL | DE | EN
Menu

Vrouwenweek in het Rijksarchief (2): Drukkersvrouwen, creatief met mannen én met wetgeving

Texte petit  Texte normal  Texte grand
05/03/2019 - Onderzoek - Divers - Rijksarchief te Gent

Tijdens deze Vrouwenweek richten we onze spots elke dag op ‘vergeten vrouwen’ uit de geschiedenis. Ondernemingszin, liefde voor het geschreven woord en gezonde ambitie: maak kennis met de echtgenotes De Goesin, typevoorbeelden van het fenomeen drukkersvrouwen.

In het voorjaar van 1731 bevond Catharina Christiana Eton zich in een uiterst vervelende positie. Als enig kind van de onverwacht overleden boekdrukker Jan Eton was ze opgegroeid tussen inkt, papier, letters en pers, in het Groene Kruis op de Kleine Vismarkt in centrum Gent. Haar moeder had ze op jongere leeftijd al verloren. Hoe vastberaden ze ook was om het levenswerk van haar vader, zelf ooit geërfd van een oom, verder te zetten, Catharina stuitte op een onverbiddelijke njet van overheidswege. Zelfstandig drukker kon men slechts zijn met een keizerlijk octrooi op zak, maar dat mocht zij als alleenstaande vrouw vergeten. In mei 1731 gaf de stad haar een ultimatum: de drukkerij moest binnen de drie maand worden ontmanteld, met de bestaande boekenvoorraad mocht ze uitverkoop houden.

Juffrouw Eton legde zich hier niet bij neer, en kwam razendsnel met een oplossing die als 18e-eeuwse vrouw wél binnen haar bereik lag: op 2 juni 1731, ruim voor de deadline, trouwde ze met de 21-jarige Michael Petrus De Goesin, zelf ook allerminst een onbekende naam in het drukkersmilieu. Deze gehaaste alliantie was in feite een win-winsituatie voor beide partijen, want ook haar kersverse echtgenoot had een serieus probleem. Als zoon uit het eerste huwelijk van vermaard boekdrukker Pieter François (I) De Goesin zat er een concurrentiestrijd aan te komen met halfbroer Pieter-François (II) De Goesin, zoon uit het tweede huwelijk van Pieter François (I) met Petronella Joanna Verloock. Wie van beiden zou de grote onderneming in de Vier Evangelisten in de Gentse Veldstraat mogen overnemen? Een drukkerij waar, overigens, stiefmoeder Verloock een stevige hand in had?

Michael Petrus De Goesin koos eieren voor zijn geld, en ging ondanks (of net omwille van?) zijn jeugdige leeftijd mee in het ietwat roekeloze plan van Catharina Eton, mét succes. In spoedtempo, op 19 juni 1731, ontving hij het drukkersoctrooi dat de redding zou betekenen voor de drukkerij in het Groene Kruis - weliswaar niet meer op naam van Eton, maar op die van M.P. De Goesin. Catharina was met andere woorden haar naam kwijt, maar de nalatenschap van haar familie was gered.

Samen kreeg dit koppel maar liefst zeven dochters. Toen Michael in 1761 stierf, had Catharina andermaal hetzelfde probleem - zij het dat ze als “weduwe van” op juridisch vlak behoorlijk wat sterker stond. “Helaas” ontbrak het haar wel aan een zoon, zodat de toestemming die ze kreeg om de drukkerij en boekhandel samen met haar dochters verder te zetten, ten uitzonderlijke titel was en bijzondere clausules vertoonde. Zo mochten moeder en dochters (Maria Petronella, Elisabeth Cecilia, Rosa Dorothea, Dorothea Catharina, Joanna Colomba Scholastica, Catharina Christina en Coleta Cecilia) in geen geval ergens een nieuwe onderneming opstarten, en moesten ze allen onder hetzelfde dak blijven wonen. Catharina overleed 20 jaar na jaar echtgenoot, waarna de activiteiten in het Groene Kruis langzaam uitdoofden. De boekhandel bleef uiteindelijk overeind tot in de Hollandse Tijd.

De creativiteit van Catharina Christiana Eton maakt dit een bijzonder interessante casus, maar het fenomeen ‘drukkersvrouw’ was in feite behoorlijk wijd verspreid, zij het dan voornamelijk in termen van ‘drukkersweduwe’. Breder kan je stellen dat tijdens de vroegmoderne tijd, en zeker in Gent, vrouwen opvallend veel handels- en nijverheidsactiviteiten aan de dag legden. Dit houdt verband met de noties handelingsbekwaamheid en handelingsbevoegdheid, waar (rechts)historici al behoorlijk wat publicaties aan hebben gewijd. Zo kan, tal van uitzonderingen buiten beschouwing gelaten, worden gesteld dat een vrouw tijdens het ancien régime doorgaans handelingsbekwaam was (in de zin van: in staat om te handelen), maar daar meestal niet toe bevoegd was. Logisch, aangezien ze eerst onder het gezag van haar vader en vervolgens onder dat van haar echtgenoot stond.

Verregaande theoretische discussies laten we hier achterwege, maar het verhaal van Catharina Christiana Eton lijkt dit toch te bevestigen. Als wees en ongetrouwde “dochter van”, kreeg ze de bevoegdheid niet om het werk van haar vader verder te zetten. Als weduwe lagen haar kaarten anders, hoewel de afwezigheid van een mannelijke erfgenaam haar als bijkomende factor parten speelde. Haar bekwaamheid werd echter nooit in vraag gesteld. Zoals gezegd: veel ondernemende vrouwen in het algemeen, en drukkersvrouwen in het bijzonder, gingen haar in centrum Gent vooraf.

In haar onmiddellijke omgeving was er haar (stief)schoonmoeder, Petronella Joanna Verloock. Catharina’s echtgenoot, Michael Petrus De Goesin, had de situatie bijzonder goed ingeschat: na het overlijden van vader Pieter François (I) in 1740, was het weduwe De Goesin - Verloock die zonder problemen een octrooi verkreeg en de drukkerij in de Vier Evangelisten verderzette. Haar eigen zoon, Pieter François (II), nam het familiebedrijf over in 1752-1753, en werd op zijn beurt opgevolgd door achtereenvolgens Anne Marie De Wilde, zijn weduwe, en zoon Pieter François (III).

In het drukkersmilieu zijn gelijkaardige mechanismen te vinden bij de 18e-eeuwse ondernemingen van Van den Kerchove, Graet, Somers, … Maar ook van vroegere datum zijn de voorbeelden legio. Zo was er bijvoorbeeld Anna van der Haeghen, die vanaf 1625 samen met zoon Jan (IV) van den Steene de drukkerij van de familie van haar echtgenoot verderzette. Hun locatie, in de Vergulden Pellicaen op het Sint-Veerleplein, was ideaal gelegen om samen te werken met overheidsinstellingen, wat ze van oudsher deden. Vanaf 1594 zijn bijvoorbeeld privileges bewaard die Jan (III) van den Steene het exclusieve recht gaven om de plakkaten en ordonnanties van de naburige Raad van Vlaanderen te drukken en te verkopen. Alle (mannelijke) concurrenten ten spijt, werd dit voorrecht na zijn dood aan zijn vrouw, en later overigens ook aan hun dochter Anna (en pas daarna aan haar echtgenoot Michel du Laury!) toegekend.

De echtgenotes en weduwes De Goesin, Van den Kerchove, Graet, Somers en vanden Steene hebben elk op hun beurt een sterk staaltje ondernemingszin en ambitie vertoond, in een concurrentiële wereld die per definitie de hunne niet was. Ze staan daarenboven symbool voor talloze andere, soms anoniem gebleven vrouwen die zich in een gelijkaardige positie hebben bevonden en die qua competenties niet moesten onderdoen voor hun mannelijke concullega’s - ongeacht het feit of ze daar nu in juridisch opzicht bekwaam toe waren of niet.

   

Deze tekst delen:
www.belspo.be www.belgium.be e-Procurement