Rijksarchief in België

Ons collectief geheugen !

FR | NL | DE | EN
Menu

Vrouwenweek in het Rijksarchief (1): Elisabeth Van Duyse (1670-1748), “vroede vrouw”

Texte petit  Texte normal  Texte grand
04/03/2019 - Divers - Rijksarchief te Gent

Wie stamboomonderzoek doet en hiervoor doopakten raadpleegt, ziet steeds dezelfde categorieën van betrokken partijen de revue passeren: de pastoor, de boreling, de ouders, de meter en peter. Wie ook wordt vermeld, maar zelden of nooit expliciet wordt genoemd, is de vroedvrouw die de moeder bijstond bij de bevalling. Tijdens deze Vrouwenweek richten we onze spots elke dag op ‘vergeten vrouwen’ uit de geschiedenis. Vroedvrouw Elisabeth Van Duyse uit Vrasene bijt de spits af.

Elisabeth Van Duyse uit Vrasene werd geboren in 1670 en overleed in 1748 op 77-jarige leeftijd. Ze was getrouwd met Adriaen Smet en woonde haar hele leven in hetzelfde dorp. Vanuit professioneel standpunt was 1716 voor haar een bijzonder jaar: toen werd ze door Franciscus van Diepenbeek, licentiaat in de medicijnen uit Sint-Niklaas, ondervraagd én bekwaam bevonden om de functie van vroedvrouw uit te oefenen. In die hoedanigheid mocht ze niet alleen vrouwen in arbeid assisteren, maar ook de eigenlijke “verlossing”, dus de geboorte zelf, begeleiden. Na aflevering van dit bekwaamheidsattest werd haar kandidatuur door de dorpspastoor onderzocht en goedgekeurd, waarna ze de eed mocht afleggen bij de schepenen van Vrasene. In deze eed moest ze beloven op geen enkele wijze vruchtafdrijvende handelingen te stellen of dergelijke praktijken te tolereren, en nooit roekeloos te werk te gaan, maar in geval van nood een ervaren arts bij een problematische bevalling ter hulp te roepen.  Sinds 8 juli 1716 mocht ze zich een beëdigde vroedvrouw of “obstetrix jurata” noemen.

Etymologisch betekent “vroede vrouw” een wijze of bekwame vrouw, en dit was hier zeker het geval: Elisabeth zelf kreeg immers niet minder dan twaalf kinderen in de periode tussen 1696 en 1712. Daarmee trad ze in de voetsporen van haar eigen moeder: zijzelf was immers de vierde dochter in een reeks van twaalf. Haar een ervaringsdeskundige noemen is dus geen overdrijving. Ervaring was tot het laatste kwart van de 18e eeuw ook quasi de enige vorm van “scholing” die je als vroedvrouw kon hebben: een concrete opleiding bestond er niet, wel kon je het vak leren van een andere vroedvrouw. De aanwezigheid van een beëdigde vroedvrouw bij een bevalling was niettemin belangrijk: kinderen werden thuis geboren, zonder dat er een arts aanwezig was. Een barende vrouw werd bijgestaan door haar vroedvrouw, die bij problematische bevallingen blijk moest geven van bekwaamheid en ervaring enerzijds, en koelbloedigheid anderzijds. De beperkte medische omkadering en vaak gebrekkige hygiëne van het kraambed leidden er meer dan eens toe dat geboortes complex verliepen en zowel moeder als kind in gevaar waren. In een dergelijk geval dreigde de boreling te sterven alvorens gedoopt te zijn, wat de Katholieke Kerk grote zorgen baarde. Ook hier kon de aanwezigheid van een bekwame vroedvrouw soelaas brengen.

We mogen aannemen dat Elisabeth in heel wat registraties van dopen uit Vrasene en omgeving wordt vermeld, zij het dan indirect: via de aanduiding van dopen “sub conditione”. Dit zijn dopen waarbij de pastoor het kind “voorwaardelijk” doopt, omdat het al tijdens de bevalling werd gedoopt door de vroedvrouw. Dit was gebruikelijk bij moeilijke of risicovolle bevallingen, waarbij het kind dreigde te sterven. Om te verhinderen dat het ongedoopte zieltje in het vagevuur zou belanden, werd de bediening van het sacrament bij uitzondering en omwille van de hoge nood aan een leek, nota bene een vrouw, toegestaan. Hier bestonden strikte regels voor. Als het kind het inderdaad haalde, werd het nogmaals onder voorwaarde door de pastoor gedoopt, als verzekering voor het geval  het doopsel toch foutief zou zijn toegebracht. De vroedvrouwen hadden – ook bij probleemloze bevallingen – de plicht over de door hen geassisteerde geboortes te rapporteren bij de pastoor, zodat de maatregelen voor het doopsel konden worden getroffen.

Vroedvrouwen hadden naast deze “kerkelijke” taak ook een juridische functie: in geval van buitenechtelijke kinderen werden zij geacht aan de moeders de identiteit van de vader te ontfutselen, zodat ze later als getuige konden optreden in kwesties over bijvoorbeeld onderhoudsgeld. Bij rechtszaken rond overleden kinderen konden zij vanuit hun praktijkervaring als experten worden opgeroepen.

De positie van vroedvrouwen tijden het ancien régime was ietwat ambigue. Enerzijds werd hun beroep als weinig eervol en vuil beschouwd – je kwam in contact met allerlei “onreine” lichaamssappen. De verantwoordelijkheid voor fataal aflopende geboortes kon bovendien in de schoenen van de aanwezige vroedvrouw worden geschoven. Anderzijds was de vroedvrouw van onschatbaar belang voor barende vrouwen in een wereld waarin medische zorg zeer beperkt was: ze was hun toeverlaat en vertrouwenspersoon en kon evenzeer geprezen worden omwille van haar bekwaamheid en kennis. Hoewel ze in de bronnen vaak onder de radar blijven, waren deze vrouwen, hun kennis en inzet soms letterlijk van levensbelang voor hun tijdgenoten.

 

Deze tekst delen:
www.belspo.be www.belgium.be e-Procurement